Is er leven zonder een smartphone?
Als ik om me heen kijk, lijkt het van niet.
Of ja… misschien wel.
Maar liever niet — stel je voor dat je iets mist.
FOMO, noemen ze dat geloof ik.
Sinds een tijdje ben ik van social media af.
Het voelde al langer niet oké.
Te veel prikkels.
Te veel perfectie.
Te weinig écht.
Poeh, wat een besluit.
Kon ik wel afscheid nemen van dat handjevol volgers?
Nou vooruit, twee handen dan.
Geen berichtje ontvangen.
Geen: “Waar ben jij gebleven?”
Oh wacht… ik heb ook geen WhatsApp meer.
Dat verklaart een boel.
Soms voel ik me alleen.
Alsof ik alleen word gezien als ik zichtbaar ben.
Maar een influencer ben ik nooit geweest.
Geen rolmodel. Geen voorbeeld.
Ik kies mijn eigen weg.
Wat goed voelt.
Wat licht geeft in mijn hoofd.
Wat kippenvel over mijn armen stuurt.
Een wandeling zonder telefoon is genieten.
Zintuigen open.
Mijn handen glijden over dorre bladeren.
De structuur… uniek. Geen blad hetzelfde.
Plots sta ik stil.
Een zucht in het struikgewas.
Een panter? Nee joh.
Waarschijnlijk een hert.
Oh wacht… die vrouw in panterpyjama van daarnet.
Laat me.
Ik kijk gewoon met een andere bril.
Is dat geen magie?
Wat ís de werkelijkheid eigenlijk?
Een hert springt uit de struiken.
Supersnel.
Lijkt wel Overtoom.
Net zoals mensen.
Altijd onderweg. Nooit echt daar.
Tenzij ze honger hebben.
Of iets van je willen.
Nou, ik ben eerder een wolf.
Graag alleen.
Maar ook samen.
Misschien ben ik het allemaal.
In een andere vermomming.
Gisteravond gluurde ik uit het raam.
Naar dat nieuwe koppeltje ouderen —
zo klef dat het benauwt.
Mag ik alsjeblieft ademen?
Misschien ben ik daarom nog happy single.
Ik pak mijn vergrootglas, Sherlock Holmes-stijl.
Een zwart-witte vogel trekt mijn aandacht.
Een mini-orka? Nee toch?
Hij beweegt nauwelijks.
Leeft het wezentje wel?
Of is het zo’n speelgoedvogel — eentje die alles doet wat je zegt?
Zoals wij ook leven.
In een bassin van controle.
Laat mij dan maar liever in een donker hol.
Zolang er maar licht is.
Zou Free Willy dit ook voelen?
Ik loop naar buiten.
Sla linksaf.
Zijn glinsterogen kruisen de mijne.
Zoekt hij hulp?
Ik gooi zacht een stokje.
“Hij ziet er braaf uit,” zegt een voorbijganger.
“Te braaf,” zeg ik.
Nog één poging. Iets groter.
En ja — beweging.
Hij vliegt.
Beduusd.
Naar een tak.
Misschien keek het vogeltje te lang naar zijn snavelfoon.
Net als wij.
Ik slaap slecht die nacht.
Hoe zou het met hem gaan?
’s Ochtends spring ik mijn bed uit.
Wandel de trap af.
De maan zakt langzaam uit beeld.
En het vogeltje?
Weg.
Zijn eigen pad gevlogen.
Een simpel wonder.
In een complexe wereld.